top nav tools left nav
Siteoverzicht Contact Home

Luchtwassers en verwerking van exploitatie-eigen mest in 2010 

Deel 3 van de Mestbankaangifte moet u enkel invullen als u in 2010 spuiwater hebt geproduceerd afkomstig van een zure of biologische luchtwasser of wanneer u in 2010 exploitatie-eigen mest hebt verwerkt. Is dit niet het geval of verwerkt u naast uw exploitatie-eigen mest ook mest van derden moet u deel 3 van de Mestbankaangifte niet invullen. Landbouwers die mest van derden verwerken, moeten wel de aangifte van de uitbater van een be- of verwerkingseenheid invullen. Voor meer informatie over de aangifte van de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, neemt u best contact op met de Mestbank.

Spuiwater is een algemene term voor het product dat ontstaat bij het gebruik van een zure of biologische wasser om de emissie van ammoniak uit stallen te reduceren.

Spuiwater van een zure wasser bevat stikstof in de vorm van ammoniumsulfaat. Spuiwater van een biologische wasser bevat stikstof in de vorm van nitraat- of nitrietstikstof en in mindere mate als ammoniumstikstof. Spuiwater kan dus beschouwd worden als een meststof. Als u de spui van uw biologische wasser wilt gebruiken, moet u eerst bij OVAM een gebruikerscertificaat aanvragen. Voor het spuiwater uit een zure wasser is dit niet meer nodig sinds 1 mei 2009. Om spuiwater, van zowel een zure als een biologische wasser, naar derden te transporteren hebt u een ontheffing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid nodig.

Voor de geproduceerde hoeveelheid ammoniumsulfaat (= (NH4)2SO4) uit spuiwater van een zure wasser kunt u mestverwerkingscertificaten krijgen. Voor de geproduceerde hoeveelheid stikstof in spuiwater van een biologische wasser krijgt u geen mestverwerkingscertificaten. Maar u kunt wel MVC’s verkrijgen voor de verdere verwerking van het spuiwater van een biologische wasser tot stikstofgas (N2) via een nabehandeling (denitrificatie).

In deel 3 van de aangifte worden de volgende rubrieken behandeld:

Biologische wassers
Als u een biologische wasser op één of meer stallen van de exploitatie heeft staan, duidt u bij vraag 1 aan of u het spuiwater al dan niet nabehandelt. Wordt het spuiwater niet nabehandeld dan vult u enkel vraag 2 in, waar u de hoeveelheid spuiwater invult op basis van de debietmeterstanden op 1 januari 2010 en 31 december 2010. Ook de gemiddelde stikstofconcentratie van de spui vult u in en bewijst u op basis van 2 analyses die u als bijlage  bij de aangifte meestuurt.

Wanneer u spuiwater van een biologische wasser nabehandelt (bijvoorbeeld via een denitrificatierotor) en hierbij stikstofgas N2 produceert, kunt u hiervoor mestverwerkingscertificaten (MVC’s) krijgen. Bent u in dit geval, vul dan vraag 3 en 4 in. In vraag 3 geeft u aan hoeveel spuiwater nabehandeld wordt en noteert u ook de debietmeterstanden op 1-01-2010 en 31-12-2010. Ook vult u in hoeveel spuiwater uiteindelijk afgezet is, samen met de debietmeterstanden bij het begin en op het einde van het jaar. Hierbij gaat het over waswater dat niet meer gerecirculeerd kon worden en bijvoorbeeld in de mestkelder gespuid werd.

De schommelende belasting door ammoniakemissie in de loop van het jaar, zorgt ervoor dat ook de stikstofinhoud van het spuiwater uit de wasser variabel is. Om de gemiddelde concentratie te kunnen bepalen, worden 6 stalen genomen van het spuiwater voor en 6 stalen na de behandeling. Deze stalen worden genomen gedurende 2 afzonderlijke periodes (opfokperiode voor biggenstallen, kraamperiodes voor zeugenstallen, mestrondes voor mestvarkensstallen, maanden voor dekstallen) waarvan 1 periode tijdens de zomer (april - september) valt. Per periode worden 3 stalen genomen; één aan het begin, één in het midden en één aan het einde van de periode. Van de 6 stalen voor en de 6 stalen na behandeling berekent u het gemiddelde en vult dit in bij vraag 3. Ten slotte berekent u voor vraag 3 hoeveel stikstof u heeft afgezet via het spuiwater door de hoeveelheid spuiwater die afgezet wordt te vermenigvuldigen met de concentratie van het afgezet spuiwater (concentratie na behandeling).

Bij vraag 4 kan u de hoeveelheid stikstof invullen die verwerkt is tot stikstofgas. Als bijlage bij de aangifte, stuurt u een nutriëntenbalans op samen met alle bijhorende analyses van 2010. Vergeet dit ook niet aan te duiden bij vraag 16 in deel 1 van de aangifte.

Naar boven

 

Zure wassers
Bij vraag 5 vult u in hoeveel spuiwater de zure wasser geproduceerd heeft in 2010. U vult ook de debietmeterstanden van de teller van het spuiwater op 1-01-2010 en 31-12-2010 in. Ten slotte vult u bij vraag 5 de gemiddelde concentratie in van het spuiwater. Die toont u aan aan de hand van 2 analyses uit 2010. Vergeet niet deze analyses mee te sturen met uw aangifte.

Naar boven

 

Verwerking van exploitatie-eigen mest in 2010 op uw eigen bedrijf
Bij vraag 6 duidt u aan of u enkel exploitatie-eigen mest verwerkt. Is dit niet het geval moet u de aangifte van de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid invullen. Voor het bepalen van de hoeveelheid stikstof die in 2010 in uw installatie geproduceerd werd en verwerkt is tot stikstofgas, dient u een nutriëntenbalans in, samen met de bijbehorende analyses van maximaal één jaar oud. U vult die hoeveelheid verwerkte stikstof in bij vraag 7 en vergeet niet een nutriëntenbalans met bijbehorende analyses als bijlage bij deze aangifte toe te voegen. U kunt de stikstofconcentratie op basis van uw analyses berekenen. Ten slotte vult u bij vraag 8 in over welk type installatie u beschikt. Het volstaat om hier het werkingsprincipe (bijvoorbeeld biologie) of de merknaam in te vullen.

Naar boven

 

Soort verwerkte mest
Bij vraag 9 duidt u aan welke soort mest u verwerkt hebt met uw eigen mestverwerkingsinstallatie. Dit onderscheid is van belang bij de uitreiking van mestverwerkingscertificaten die u voor die verwerking kunt ontvangen. Deze vraag is enkel van belang voor u als u mest verwerkt op uw eigen exploitatie. De pluimveemest die u op een
verwerkingsinstallatie buiten uw exploitatie laat verwerken, komt niet in aanmerking voor de vraag 9 en 10. Ook de pluimveemest die u exporteert, mag u niet meerekenen voor deze vragen. U kunt hier meerdere antwoorden aankruisen. Hebt u naast pluimveemest ook eigen varkens-, rundveemest of andere mest verwerkt? Vul dan bij vraag 10 in hoeveel procent van uw verwerkte mest pluimveemest is die u zelf hebt verwerkt. Aan de hand van dat percentage kan de Mestbank de mestverwerkingscertificaten onderverdelen in MVC pluimvee en MVC niet-pluimvee.

Naar boven

 

Verklaring door de aangever
In dit vak ondertekent u de verklaring dat u uw aangifte volledig en juist heeft ingevuld.
Let op: een niet getekende aangifte staat gelijk met niet ingediend en kan aanleiding geven tot een administratieve geldboete. Kijk ook na of u alle noodzakelijke bijlagen bij de aangifte heeft gevoegd én ondertekend.

Naar boven

 

top
Copyright 2010, Vlaamse Landmaatschappij
Disclaimer | Siteoverzicht
Vlaamse overheid