Deze informatie is niet meer actueel en wordt binnenkort aangepast.
Als u in 2010 dieren heeft gehouden op uw exploitatie, moet u het formulier Aangifte van dierlijke mestproductie in 2010 (deel 2) invullen en samen met uw aangifte meesturen. Denk eraan om ook dat formulier te ondertekenen want zonder handtekening is het niet geldig.
Hieronder leggen we u per rubriek uit hoe u de Aangifte van dierlijke mestproductie in 2010 (deel 2) kunt invullen:
Rundvee
Vanaf productiejaar 2007 vormen de DGZ-gegevens (Dierengezondheidszorg Vlaanderen) de basis voor de berekening van de gemiddelde veebezetting van de runderen voor de Mestbankaangifte. Die bepalen we op basis van uw beslagnummer. Uw beslagnummer is voorgedrukt in vraag 1 van deel 1. Kijk zeker na of uw beslagnummer correct is. U moet de gemiddelde rundveebezetting dus niet meer invullen op uw aangifte.
Hoe die gegevens worden berekend, staat op de pagina Bepaling van de gemiddelde rundveebezetting.
Zijn uw gegevens foutief? Pas ze dan aan door het formulier Aanvraag wijziging van rundveebezetting in te vullen en op te sturen naar de Mestbank of mee te sturen met uw Aangifte van productiejaar 2010.
Als u in 2010 eigen runderen op uw eigen gronden buiten het Vlaamse Gewest liet grazen, dan kunt u een aantal runderen in mindering brengen voor de berekening van uw rundveeproductie van 2010. Met het Schema van de begrazing buiten het Vlaamse Gewest kunt u uw gemiddelde rundveebezetting van 2010, berekend op basis van DGZ, verminderen.
Hoe de gemiddelde veebezetting van de runderen de uitscheidingscijfers voor uw bedrijf bepaalt, kunt u nalezen in de toelichting.
Het aantal standplaatsen is voorgedrukt op basis van de aangifte van vorig productiejaar. Als deze gegevens in het productiejaar 2010 gewijzigd zijn, moet u deze gegevens nog verbeteren op uw aangifte. Het aantal stalplaatsen waarover u beschikt, is vastgelegd in uw milieuvergunning.
Ook de procentuele stalbezetting is voorgedrukt. Deze procentuele verdeling moet u aangeven om de stikstofverliezen, afhankelijk van het staltype, te gaan berekenen. Voor de bepaling van de netto-uitscheiding van het rundvee, uitgezonderd de mestkalveren, wordt een procentueel stikstofverlies in rekening gebracht. Een voorbeeld vindt u in de toelichting.
De verschillende staltypes zijn:
- In stallen waar ‘amper stalmest’ geproduceerd wordt, wordt een stikstofverlies van 10 % in rekening gebracht. Dit zijn stallen waar 10 % of minder van de geproduceerde mest, stalmest is, bv. roosterstal, loopstal, …
- In stallen waar ‘bijna uitsluitend stalmest’ wordt geproduceerd, wordt een stikstofverlies van 20 % in rekeninggebracht. Dit zijn stallen waar 90 % of meer van de geproduceerde mest, stalmest is, bv. potstal, bindstal met stro, …
- In alle andere stallen wordt een stikstofverlies van 15 % in rekening gebracht. Deze stallen worden omschreven als stallen waar ‘deels stalmest’ wordt geproduceerd. Een voorbeeld hiervan is een stal met een ligbed op stro en de gangen op rooster.
- Voor de mestkalveren wordt, ongeacht het staltype, een stikstofverlies van 2,29 kg N/dier/jaar in rekening gebracht.
Naar boven
Voedergewassen
Vul in deze rubriek de hoeveelheid eigen geteelde voedergewassen in die u aan een ander bedrijf hebt verkocht en de buiten het Vlaamse Gewest geteelde hoeveelheden voedergewassen. Daarnaast geeft u ook de aangekochte hoeveelheid maïs op in hectare.
In de laatste kolom vult u de hoeveelheid perspulp (in ton) in die u in 2010 hebt aangekocht.
Bekijk in de toelichting of hier het overzicht van de teeltcodes die meegerekend worden bij de bepaling van uw oppervlakte maïs, uw oppervlakte voedergranen, uw oppervlakte voederbieten en uw oppervlakte grasland. Hoe uit deze gegevens dan de rundveeproductie op uw bedrijf wordt berekend, kunt u nalezen in de toelichting. U vindt daar ook richtwaarden voor de omrekening van ton naar hectare.
Stuur een kopie van uw overeenkomsten mee met uw aangifte. Een standaardovereenkomst voor aangekochte maïs vindt u hier. Voor de aangekochte perspulp stuurt u een kopie van de factuur van de aangekochte perspulp voor het campagnejaar 2009/2010 mee. Voeg ook een kopie van de registratie van uw percelen die u bij de bevoegde overheid buiten het Vlaamse Gewest liet uitvoeren bij uw aangifte.
Naar boven
Varkens
Gemiddelde veebezetting
Bij vraag 3 vult u de gemiddelde veebezetting in en verbetert u het aantal veestandplaatsen als dat nodig is. Ook de procentuele stalbezetting kunt u aanpassen als ze veranderd is ten opzichte van de voorgedrukte gegevens. We verduidelijken hieronder hoe we uit deze gegevens de uitscheidingscijfers voor uw bedrijf bepalen.
Per staltype en diercategorie wordt een vast stikstofverlies in rekening gebracht voor de berekening van de netto-uitscheiding. Die cijfers vindt u in de toelichting en op de pagina Stikstofverliezen.
Bij de varkens onderscheiden we vier staltypen:
- traditionele mengmest: deze stallen staan niet op de lijst van emissiearme stallen (link van maken) en zijn niet volledig ingestrooid.
- traditionele stalmest: deze stallen staan niet op de lijst van emissiearme stallen en zijn volledig ingestrooid.
- emissiearme mengmest: deze stallen staan op de lijst van emissiearme stallen en minder dan 25 % van de geproduceerde mest is stalmest.
- emissiearme stalmest: deze stallen staan op de lijst van emissiearme stallen en minstens 25 % van de geproduceerde mest is stalmest.
Of een stal al dan niet voorkomt op de lijst van emissiearme stallen, kunt u terugvinden op de
milieuvergunningsbeslissing.
Let op: het installeren van een luchtwasser zorgt er niet voor dat uw stal emissiearm wordt. Een stal met een luchtwasser wordt beschouwd als een stal met traditionele mengmest of traditionele stalmest. Een luchtwasser verhindert namelijk de emissie van de stikstof uit de opslag niet. Emissiearme stallen zijn stallen die door bouwtechnische ingrepen ervoor zorgen dat meer stikstof in de opslag blijft. Dit kan door bv. schuine wanden te
plaatsen.
Nutriëntenbalanstype en mestuitscheidingscijfers
Bij vraag 4 noteert u per diercategorie het nutriëntenbalanstype en de uitscheidingscijfers van de varkens in kg per dier en per jaar.
Als u voor varkens het forfaitaire stelsel hebt toegepast, vult u bij vraag 4 ‘FF’ in de tweede kolom. In de kolom mestuitscheidingscijfers in kg/dier/jaar moet u niets invullen. Ook als u het convenant (‘VVC’)heeft toegepast, hoeft u geen mestuitscheidingscijfers in te vullen. Voor de stelsels regressie (‘RR’) en andere voeders en voedertechnieken (‘AVVT’) moet u wel de door u berekende mestuitscheidingschijfers invullen.
Let op: als u op uw bedrijf meer dan 200 andere mestvarkens houdt, kunt u voor geen enkele diercategorie van de varkens de forfaitaire uitscheidingscijfers gebruiken en bent u verplicht een ander nutriëntenbalanstype te gebruiken.
In de toelichting vindt een gedetailleerde uitleg per nutriëntenbalanstype over wat u moet doen.
Naar boven
Pluimvee
Gemiddelde veebezettingBij vraag 5 noteert u de gemiddelde veebezetting per diercategorie en verbetert u zo nodig het aantal standplaatsen.
Voor de bepaling van de netto-uitscheiding van het pluimvee, wordt per diercategorie een vaste hoeveelheid stikstof in rekening gebracht. Voor legkippen (inclusief grootouderdieren), opfokpoeljen van legkippen en slachtkuiken ouderdieren, wordt de netto-uitscheiding bepaald op basis van het staltype. Voor die drie diercategorieën verbetert u zo nodig in de laatste kolom van vraag 5 het staltype. Hoe u dat juist doet, leest u in de toelichting. Het staltype waarover u beschikt, vindt u terug in uw milieuvergunningsbeslissing.
Nutriëntenbalanstype en mestuitscheidingscijfers
Bij vraag 6 noteert u per diercategorie het toegepaste nutriëntenbalanstype en de uitscheidingscijfers van het pluimvee in kg per dier en per jaar. In de toelichting staat per nutriëntenbalansstelsel opgesomd wat u moet doen.
Als u voor het pluimvee het forfaitaire stelsel hebt toegepast, vult u bij vraag 4 ‘FF’ in de tweede kolom. In de kolom mestuitscheidingscijfers in kg/dier/jaar moet u niets invullen. Ook als u het convenant (‘VVC’)heeft toegepast, hoeft u geen mestuitscheidingscijfers in te vullen. Voor de stelsels regressie (‘RR’) en andere voeders en voedertechnieken (‘AVVT’) moet u wel de door u berekende mestuitscheidingschijfers invullen.
Voor struisvogels, kalkoenen en ander pluimvee kan u geen nutriëntenbalanstype invullen. Voor deze diersoorten worden altijd de forfaitaire uitscheidingscijfers toegepast.
Naar boven
Paarden en pony's
Bij vraag 7 noteert u de gemiddelde veebezetting en verbetert u zo nodig het aantal standplaatsen.
Naar boven
Andere diersoorten
Bij vraag 8 noteert u de gemiddelde veebezetting en verbetert u zo nodig het aantal standplaatsen.
Het gaat om de dieren die niet opgenomen zijn in de vragen 1, 3, 5 en 7, namelijk konijnen, geiten, schapen, nertsen, buffels, reebokken en herten.
De mestproductie van de dieren, met name de buffels, reebokken en herten, die opgevraagd worden in het kader van de gegevensuitwisseling met VMM, wordt niet meegeteld bij de berekening van de dierlijke mestproductie op de exploitatie.
Voor de andere diersoorten gelden enkel de forfaitaire uitscheidingscijfers en kunt u geen balanstype kiezen.
Naar boven
Mestuitscheidingsbalans 2011
Als u vanaf 2011 gebruik wilt maken van het uitscheidingsstelsel ‘andere voeders of voedertechnieken’, duidt u dat aan bij vraag 9. Bij dit uitscheidingsstelsel kiest u steeds voor drie jaar. U neemt best op voorhand contact op met de Mestbank om dit stelsel toe te passen.
Naar boven
Verklaring door de aangever
Net als deel 1, is ook deel 2 maar geldig als u het ondertekend heeft. Een niet getekende aangifte wordt beschouwd als niet ingediend, en kan aanleiding geven tot een administratieve geldboete. Kijk ook na of alle noodzakelijke bijlagen bij de aangifte zijn gevoegd én ondertekend.
Naar boven