top nav tools left nav
Siteoverzicht Contact Home

Berekening van de netto-uitscheiding van runderen 

 

De bruto-N- en P2O5-uitscheiding van runderen
In de tabel Uitscheidingscijfers van de brochure Normen en richtwaarden vindt u voor de verschillende rundveecategorieën de forfaitaire bruto-uitscheidingscijfers voor N en P2O5 terug. Voor alle runderen, behalve melkkoeien, kunt u deze forfaitaire bruto-uitscheidingscijfers gebruiken.

Om de correcte forfaitaire bruto-uitscheiding van melkkoeien te kennen houdt u met twee aspecten rekening, nl. de gemiddelde melkgift per melkkoe op uw bedrijf én het voederrantsoen van het vorige productiejaar. Let op: die forfaitaire bruto-uitscheidingscijfers voor melkkoeien zijn minimale waarden die u slechts mag gebruiken als aan bepaalde voorwaarden over de voedergewasoppervlakte op uw bedrijf voldaan is (zie rubriek Voederrantsoenen bij melkkoeien).

Als u zelf de gemiddelde melkgift per melkkoe op uw bedrijf wil bepalen, doet u dat aan de hand van het gemiddelde aantal melkkoeien en uw melkleveringen inclusief thuisverkoop. Let op: de melkgift per koe moet uitgedrukt worden in kg melk (1 liter melk = 1,03 kg melk) per jaar. Om uw jaarlijkse melkproductie te bepalen, rekent u voor melkleveringen met de som van alle maandelijkse melkleveringen van één kalenderjaar (leveringen van januari tot en met december van eenzelfde jaar). Voor thuisverkoop rekent u met de thuisverkoop van een melkjaar (lopende van april van een bepaald jaar tot en met maart van het volgende jaar). Voor de bepaling van de thuisverkoop kunt u gebruikmaken van de gegevens in de ‘Jaarlijkse verklaring rechtstreekse verkopen’ die u jaarlijks voor 30 april aan het Agentschap voor Landbouw en Visserij moet bezorgen.

De Mestbank berekent jaarlijks automatisch de gemiddelde melkgift per melkkoe op basis van de volgende gegevens:  

  • het gemiddelde aantal melkkoeien in één kalenderjaar; dat aantal wordt berekend op basis van gegevens die de Mestbank rechtstreeks van DGZ krijgt.
  • de hoeveelheid melk (uitgedrukt in kg) die in datzelfde kalenderjaar werd geleverd aan de zuivelindustrie of de berekende hoeveelheid melk (uitgedrukt in kg) die in het melkjaar dat start in datzelfde kalenderjaar thuis verkocht wordt; die gegevens krijgt de Mestbank van het Agentschap voor Landbouw en Visserij.

Eens u de gemiddelde melkgift per melkkoe kent, kunt u bepalen in welke melkproductiecategorie (van 4 000 kg melk/jaar tot 10 000 kg melk/jaar, in stappen van 250 kg melk/jaar) uw melkkoeien vallen. In de tabel Uitscheidingscijfers van de brochure ‘Normen en richtwaarden’ kunt u dan de forfaitaire bruto-uitscheidingscijfers voor N en P2O5 opzoeken die horen bij deze melkproductiecategorie. Melkkoeien met een gemiddelde melkgift van bijvoorbeeld 7 190 kg melk per jaar vallen in de categorie ‘hoger dan 7 000 tot en met 7 250 kg melk per jaar’ en hebben een minimale forfaitaire bruto-uitscheiding van 107 kg N/dier/jaar en 34 kg P2O5/dier/jaar.

Deze forfaitaire bruto-uitscheidingscijfers voor melkkoeien zijn minimale waarden die u slechts mag gebruiken als aan bepaalde voorwaarden over de voedergewasoppervlakte op uw bedrijf voldaan is. Als niet aan al deze voorwaarden voldaan is, verhogen de N- en P2O5-uitscheidingsnormen. Wat deze voorwaarden zijn en hoeveel de eventuele verhoging van de uitscheidingscijfers bedraagt, vindt u terug in de rubriek Voederrantsoenen bij melkkoeien.

Naar boven

De netto-uitscheiding van runderen: N-verliezen in mindering brengen
De Mestbank gebruikt de netto-uitscheidingscijfers voor de berekening van de mestbalans van uw bedrijf. Voor P2O5 zijn er geen verliezen en is de netto-P2O5-uitscheiding gelijk aan de bruto-P2O5-uitscheiding.

De mest van dieren gehouden in stallen is immers onderhevig aan allerlei processen die leiden tot stikstofverliezen. Ook tijdens de opslag en het vervoer treden verliezen op. Voor het berekenen van de netto-uitscheiding van de dieren mag u de stikstofverliezen uit stal en opslag in mindering brengen van de bruto-uitscheiding. Hierop is evenwel één uitzondering, met name dieren die nooit opgestald worden. Als u een gedeelte van uw dieren nooit in stallen houdt, mag u voor die dieren geen stikstofverliezen in rekening brengen. Voor die dieren geldt dus het bruto-uitscheidingscijfer.

Vertrekkende van de bruto-N-uitscheiding en het percentage N-verlies berekent u als volgt de netto-N-uitscheiding:

Netto-N-uitscheiding = bruto-N-uitscheiding x (1 - N-verlies)
                                                                         100

Voor de verschillende diercategorieën van de diersoort ‘rundvee’, met uitzondering van mestkalveren, worden de stikstofverliezen uitgedrukt als een percentage van de uitscheidingsnormen per dier en per jaar.

runderen uitgezonderd mestkalveren - staltype

stikstofverliezen in %

Stallen waar amper stalmest geproduceerd wordt (10 % of minder van de in deze stal geproduceerde mest is stalmest)

10

Stallen waar deels stalmest geproduceerd wordt (tussen 10 % en 90 % van de in deze stal geproduceerde mest is stalmest)

15

Stallen waar uitsluitend stalmest geproduceerd wordt (90 % of meer van de in deze stal geproduceerde mest is stalmest)

20

 

Voor de mestkalveren, ongeacht het staltype, mag u een stikstofverlies van 2,29 kg N/dier/jaar in rekening brengen.

mestkalveren

stikstofverliezen in kg N/dier/jaar

alle staltypes

2,29

In de praktijk zal u de volgende indicatieve N-verliespercentages kunnen gebruiken.

N-verliezen volgens staltype

stikstofverliezen in %

Vervangingsvee/jongvee

 

Eenlingboxen, kalverhutten, iglo's

20

Groepshutten

20

Volledig ingestrooide groepshokken (evt. uitgevoerd als hellingsstal)

20

Roosterstal met een (diepe) ligruimte (ruim ingestrooid)

15

Ligboxenstallen met diep ingestrooide ligruimte

15

Ligboxenstallen met verhoogde, licht ingestrooide ligruimte

10

Volroosterstal

10

Melkkoeien

 

Ligboxenstallen

10

Bindstallen met rooster

10

Bindstallen volledig ingestrooid

20

Potstallen

20

Zoogkoeien

 

Bindstallen volledig ingestrooid

20

Bindstallen met rooster

10

Volledig ingestrooide stal, hellingsstal, potstal (zelfde ruimte doet dienst als ligruimte én als loop- en eetruimte)

20

Gedeeltelijk ingestrooide (loop)stal (ingestrooide ligruimte, afzonderlijke loop- en eetruimte met dichte vloer evt. met mestschuif of rooster)

15

Roosterstal

10

Ligboxenstal

10

 

Als alle dieren van een bepaalde categorie in hetzelfde type stal gehuisvest zijn, dan brengt u het overeenkomstige verliespercentage voor deze diercategorie in rekening. Voor melkvee gehouden in ligboxenstallen is dit bijvoorbeeld 10 %. Als meer dan één staltype voorkomt voor eenzelfde diercategorie, dan berekent u een gewogen verliespercentage naargelang het aandeel van de verschillende staltypes.

Dit gewogen verliespercentage ligt steeds tussen 10 % en 20 % en wordt per diercategorie als volgt berekend:

(aantal dieren in staltype A x verliescijfer staltype A)
      totaal aantal dieren                                                           

+

(aantal dieren in staltype B x verliescijfer staltype B)
      totaal aantal dieren

Naar boven

top
Copyright 2010, Vlaamse Landmaatschappij
Disclaimer | Siteoverzicht
Vlaamse overheid